
Zachte bries – Psalm 65:14
Gezaaid in de akker staat het gewas—ontvangen, niet uit zichzelf. De zaaier ging zijn weg, met vaste tred, met vaste hand. De arm die uitzwaait—woosh, woosh—en het zaad valt waar het vallen moet. Zo leeft ook de mens: niet uit eigen kracht, maar biddend om wat gegeven wordt: “Geef ons heden ons dagelijks brood.” Gezaaid zijn. Ontkiemen in stilte. Wortel schieten, dieper dan het oog reikt—in geloof, in verwachting.
Leven van wat komt: hemelwater dat neerdaalt, zonlicht dat wekt, de dageraad die telkens opnieuw begint. De dag draagt het gewas, de avond legt het neer in koelte. En zie—een zachte bries gaat over de akker, als een ademtocht.
In een brede berm langs een tarweakker parkeer ik mijn auto. Ik stap uit en loop om de auto naar de akker waar een bries de halmen laat golven.
De aren bewegen, ruisend, als opgeheven armen, geopende handen—als een eerbetoon, als een lofprijzing, een aanbidding. In die beweging ligt vrede: een veld dat niet zichzelf onderhoudt, maar gedragen wordt.
De weiden kleden zich met kudden, de dalen tooien zich met graan. Zij zingen en juichen elkaar toe.
Psalm 65:14 (NBV)
Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
Meer informatie over deze Bijbelvertaling

