
Het introverte kind, de jongen die weinig woorden sprak maar alles in zich opnam, wist dat hij die woensdagmiddag naar een creatief centrum gebracht zou worden. Niet uit eigen wil, maar door zijn ouders, die zich zorgen maakten over zijn ingetogen houding op tienjarige leeftijd.
Het statige gebouw lag aan een doorgaande weg, omgeven door hoge beuken. Het pand was deels betimmerd en geschilderd in aubergine; het stucwerk was grijs. Binnen leidde een brede, krakende grenenhouten trap naar de bovenverdieping.

Daar opende zich een grote, helder verlichte ruimte. Het dak was gewelfd, met zichtbare houten spanten.
Nog voordat hij de ruimte goed in zich kon opnemen, stond de jongen oog in oog met de docente. Een vrouw met een smalle lichaamsbouw, een gezicht met zichtbare jukbeenderen en kort, piekerig blond haar. Haar wat schuchtere houding en vriendelijke, heldere blauwe ogen leken evenveel spanning voor het nieuwe te verraden als die van de jongen.
In de ruimte hing een geur van plakaatverf en verse klei. Op tafels lagen potloden en tekenpapier. Langs de wand stonden potten met kwasten die omhoog staken. Krijt, gouache, kleurpotloden, plakaatverf — alles prijkte op de schappen. Uitnodigend en tegelijkertijd uitdagend, alsof een idee dat nog maar nauwelijks vorm had gekregen in het hoofd, hier onmiddellijk handen en voeten kon krijgen.
Aan de brede houten werktafels werkte een handjevol kinderen aan hun eerste opdracht.

De jongen merkte hoe de docente hem observeerde. Hij zag haar onzekere blik, haar blauwe ogen, en keek weg.
Toch was er communicatie.
Ongesproken, zonder woorden.
Creatieve geesten, beiden, zwijgzaam en toch uitwisselend.
Het kind ging op in zijn werk. Met potloden, zacht en hard donkergrijs, tekende hij patronen op een groot vel zacht tekenpapier. Vlakken ontstonden, gevuld met dunne potloodstreepjes, regelmaat en lichte arceringen.
Zo verdiept was hij in zijn werk dat het hem bijna ontging dat de docente naast hem plaatsnam.
Nu zag hij opnieuw haar grote blauwe ogen. Even keken ze hem rechtstreeks aan, om daarna naar de gearceerde potloodstreepjes op het papier voor hen te gaan.
De jongen tekende verder.

De docente nam een brede, platte penseel en streek die over een palet met gele en oranje verf.
Toen gebeurde het.
De jongen hief zijn potlood van het papier.
Met een zwier streek zij het penseel, geel-oranje, langs de contouren van zijn gestreepte potloodlijnen.
Hij keek met grote ogen naar het werk voor hem en vervolgens naar de docente.
Een glimlach rond haar mond.
Een zwier.
Een penseelstreek uit de losse pols.
Een cadans.

Regelmaat en patroon gingen samen met een nonchalante vleug kleur. Geen van beide verdween. De potloodlijnen bleven wat ze waren. De kleur werd niet minder vrij.
En toch was er iets ontstaan wat geen van beide afzonderlijk had kunnen maken.
Een nieuwe compositie.
De docente stond op, bijna achteloos, en liep weer weg.
De jongen bleef achter bij het papier.
Misschien ontstond daar, zonder dat hij er woorden voor had, een eerste vermoeden: dat iets wat zorgvuldig en stil zijn eigen lijnen trekt niet hoeft te verdwijnen wanneer iets anders het raakt.
Dat het andere eraan voorbij kan strijken en juist zichtbaar kan maken wat er al was.
Jaren zouden voorbijgaan.
De lijnen bleven.
En ergens ook die beweging uit de losse pols.
Geel en oranje.
Een gloed over donkergrijs potlood.
Als zonlicht dat onverwacht over je gezicht strijkt.
Zomaar.
En het geheel compleet maakt.
Langs mijn lijnen
Ik teken stil wat in mij leeft, lijn na lijn dat mij houvast geeft.
Strijk maar kleur langs mijn lijnen, geel en oranje, warm en vrij. Laat wat stil was even deinen, laat het worden — naast mij, in mij.
Een kleine zwier, een onverwacht gebaar. Wat afzonderlijk begon, komt hier bij elkaar.
Strijk maar kleur langs mijn lijnen, geel en oranje, warm en vrij. Laat wat stil was even deinen, laat het worden — naast mij, in mij.
En laat de lijnen lijnen zijn.

