In onze gebeden brengen wij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, altijd dank voor u. Want we hebben gehoord van uw geloof in Christus Jezus en van uw liefde voor allen die God toebehoren. Uw geloof en uw liefde steunen op de hoop die voor u is weggelegd in de hemel. Daarvan hebt u het eerst gehoord toen het evangelie, de boodschap van de waarheid, bij u verkondigd werd. In de hele wereld verbreidt het zich en begint het vrucht te dragen, net als bij u sinds u hoorde van Gods genade en die onvervalst leerde kennen. Zo hebt u het geleerd van onze dierbare medewerker Epafras, die zich als een trouw dienaar van Christus voor u inzet. Hij is het ook die ons heeft verteld van uw liefde, waarvan de Geest de bron is. Sinds de dag dat we dit hebben gehoord, houden we dan ook niet op voor u te bidden. We vragen, dat u, om Gods wil geheel te leren kennen, vervuld wordt met grote wijsheid en geestelijk inzicht. Dan zult u leven zoals de Heer het wil en altijd doen wat hij verlangt. En zo zult u vrucht dragen in goed werk op allerlei gebied en zult u groeien in de kennis van God. Ook vragen we dat u door zijn heerlijke kracht gesterkt mag worden om alles te doorstaan en alles te verdragen. Kolossenen 1: 3-11 (GNB)

Groot Nieuws Bijbel (herziene editie 1996)
© 1996 Nederlands Bijbelgenootschap en Katholieke Bijbelstichting